De hond van de Buren
De hond gaat s’ avonds laat graven in de achtertuin van de buren. Hij vindt daar een bot. Een bot van een groot dier.
De buren worden de volgende dag wakker en vinden in hun achtertuin een bot boven op een hoop aarde.
Grote wagens met slingers rijden de straat binnen. Ze stoppen voor de voordeur het huis van de buren. Daar kloppen de grote mannen in overals aan.
De deur wordt geopend en daar staan de oude buurvrouw met haar natte haar van het douchen, en de buurman op het matje van de voordeur. Te staren naar de mannen die zo door de woonkamer, langs de bijkeuken, de achtertuin in lopen.
Ze hurken en pakken de koffer uit die ze hebben meegenomen. Van leer en het zit vol met prul waar de hond en de buren niet wijzer van waren.
De mannen pakken het bot voorzichtig met handschoenen op.
‘Wat een ding,’ zegt de ene man met het petje op tegen de ander.
‘Zeker, hier zullen zij vast blij mee zijn,’ zegt de andere man.
‘Zeg ho eens even,’ roept de buurman. ‘Wat doen jullie hier? Wie zijn jullie eigenlijk?’
De buurman grijpt een van de grote mannen bij hun schouders. Waar de man de hand van de buurman gewoon vanaf schudt.
‘Wacht even, schat. Laat ze eerst even hunzelf introduceren,’ zegt de buurvrouw terwijl ze haar haar droogt. ‘Als u zo vriendelijk bent natuurlijk.’
‘Goedendag. Helaas kunnen wij onze namen niet bekendmaken aan u. Vergeef ons daarvoor. U kunt ons “de man met de pet” en “de man met de hoge hoed” noemen als u dat prettig vindt,’ zegt de man met de hoge hoed.
‘Het is al goed, we komen hier alleen om het bot te zien en mee te nemen. Het is van groot belang voor onze werkgever, ziet u,’ zegt de andere man.
‘Nou … Oke dan,’ geeft de buurman toe.
De twee mannen pakken hun koffers in en lopen richting de voordeur. Daar lopen ze het gangpad op en stappen ze tegelijkertijd in hun wagen.
‘Dank voor het rustige onthaal en dat u niet panikeerde,’ roept één van de mannen terwijl hij met zijn pet zwaait.
Nou, om langs te komen had je ook gewoon kunnen bellen vind ik, denkt de buurvrouw.
De hond blaft de wagen achterna.
‘Wat voor een bewaakhond ben jij dan, als je nu pas gaat blaffen,’ snauwt de buurman.
De volgende dag staan de buurman en buurvrouw weer op. De buurman opent de bedkamer raam. De tocht en de koele besneeuwde wind van buiten vliegt naar binnen.
‘Toe joh, doe dicht dat raam,’ zegt de buurvrouw. ‘Het is veel te koud.’
De buurman doet gauw het raam weer dicht. Hij kleedt zich om en pakt zijn pantoffels en loopt naar beneden om een verse bak koffie te zetten.
De hond staat braaf beneden te wachten achter de deur die van de woonkamer naar de hal lijdt. Hij blaft en kwispelt met zijn staart wanneer de buurman de deur opent en hem over zijn bol aait.
Terwijl de buurvrouw rustig de dag start in haar bed, door haar favoriete boek te lezen, loopt de hond de buurman achterna door de woonkamer en de keuken.
‘Hier jochie, heb je zin in iets lekkers?’ zegt de buurman terwijl hij een kastdeur opent, daaruit een snack pakt en die hurkend aan de hond geeft. ‘Hier, alsjeblieft. Geniet ervan.’
Zodra de buurman weer overeind staat kijkt hij door de ramen van de keuken naar de achtertuin. Een ravage, er was gister één gat dat de hond duidelijk had gegraven. Maar dit, dit zijn er wel vier. Het ene gat groter dan de ander. Bij het gat van gister lag er ook een heuvel met aarde en daar weer boven op een bot. Niet bij één van de gaten licht er een heuvel of een bot.
‘Heb jij dat gedaan?’ vraagt de buurman aan de hond.
De hond blaft blij terug.
‘Even kijken,’ zegt de buurman tegen zichzelf terwijl hij de deur naar de achtertuin opent.
Hij plaatst zijn voeten in de pantoffels voor buiten en stap voorzichtig de deur uit. De hond volgt hem aan zijn zij. Ergens in de achtergrond hoort de buurman de buurvrouw iets roepen, maar hij hoort het niet goed en besluit het te negeren.
Bij het eerste gat kijkt hij erin. In het gat ligt een zilveren laagje vloeistof. Hij loopt verder naar het volgende gat en vind daar een ander gekleurde vloeistof, rood deze keer. Het gat daarna heeft geen vloeistof. Dit moet zeker het gat van gisteren zijn.
Hij loopt door en vind in het laatste gat een eivormig object. Hij raakt het object voorzichtig aan met een schep die hij van de schuur heeft gepakt.
Het kraakt open. Van het eivormig object komt een schreeuwend geluid vandaan. Het laat de oren van de buurman pijn doen. Hij laat zijn schep vallen en beschermd zijn oren door zijn handen erop te plaatsen. De hond gaat laag bij de grond en plaatst zijn poten over zijn oren.